DNMonline is een onafhankelijk online platform over leiderschap in het funderend onderwijs. DNMonline verschijnt 8x per jaar met een overzicht van nieuwe content en toegang tot een uitgebreid archief.
Merlijn Ballieux & Guido van de Wiel (2025).
The smell of the place. Bouwen aan een gezonde organisatiecultuur
Uitgeverij De Veranderbrigade
Arie Olthof
Arie Olthof is bestuurssecretaris bij CKC Drenthe, een organisatie voor kinderopvang en (speciaal) basisonderwijs
E-mail: a.olthof@ckcdrenthe.nl
Bouwen aan een gezonde organisatiecultuur
Hoe kun je als leidinggevende bouwen aan een gezonde organisatiecultuur? Dat is de vraag die Merlijn Ballieux en Guido van de Wiel willen beantwoorden met The smell of the place. In deel 1 beschrijven de auteurs hun uitgangspunten, met als belangrijkste dat “als het je lukt om de juiste omgeving te creëren in organisaties, dit leidt tot verhoogde betrokkenheid en bevlogenheid van medewerkers die hun volle potentieel willen en kunnen inzetten” (pag. 11). Bovendien leidt het “tot meer loyale klanten” en “een gezonde bedrijfsvoering”. De juiste omgeving c.q. de organisatiecultuur als panacee?
Het creëren van de juiste omgeving gebeurt door middel van gezonde sturing. Ballieux en Van de Wiel schetsen hun visie op sturing in deel 2. Werken vanuit de bedoeling en een ontwikkelgerichte benadering van organisaties en medewerkers – ik kom op dit laatste nog terug – zijn daarvan belangrijke onderdelen. In deel 3, het meest omvangrijke deel van het boek, gaan de auteurs in op (vormen van) directe en indirecte sturing. In deel 4 ten slotte richten de auteurs hun focus op de leidinggevenden en hoe zij ontwikkelgericht kunnen gaan sturen.
Zo geschetst zit het boek qua indeling logisch in elkaar. De indeling had ik als lezer ook hard nodig om door de bomen het bos te blijven zien: het boek staat bol van wat ik maar even noem anekdotische illustraties van de punten die Ballieux en Van de Wiel over het voetlicht willen brengen. Aanvankelijk is dat nog onderhoudend, mede vanwege het letterlijke feest van herkenning (ik kon twee voorbeelden herleiden en ken de hoofdrolspelers), maar op den duur wordt het wat te veel van het goede, vooral doordat een groot deel van de illustraties is ontleend aan twee Amerikaanse tv-series; QR-codes leiden naar sleutelscènes uit die series die volgens de auteurs het punt dat ze willen maken, treffend illustreren. Ik snap dat ze fan zijn van Ted Lasso, maar je kunt ook overdrijven: soms kreeg ik het gevoel dat ik The complete guide to all episodes of Ted Lasso aan het lezen was.
Ik herken dat overigens wel: als je in een model “gelooft”, zie je overal voorbeelden die dat model bevestigen, waardoor je er vervolgens nog meer in gaat geloven. Geloof is mooi, maar wat vaker een kritischer of zo je wil een meer wetenschappelijke benadering had ook niet misstaan, anders dreigt een op zich sympathiek pleidooi een preek te worden. En van dat laatste heeft The smell of the place wel wat trekjes, bijvoorbeeld ook doordat het start met de beschrijving van hoe “veel medewerkers, inclusief leidinggevenden, aangeven dat zij hun werkomgeving ervaren als een plek waar ze klemzitten, waar ze niet verder komen of die ze zelfs als tegenwerkend ervaren” (pag. 13). Hieronder ligt de stilzwijgende assumptie dat als er in de organisaties van deze medewerkers en leidinggevenden sprake was geweest van een gezonde organisatiecultuur, zij geen klem hadden ervaren. Kortom: het werkende leven is voor velen een tranendal, maar gelukkig bieden Ballieux en Van de Wiel hen met dit boek verlossing.
Een gemis
De vraag hoe het komt dat veel organisaties geen gezonde organisatiecultuur kennen, wordt echter niet systematisch onderzocht. Dat vind ik een groot gemis: alsof je een obees iemand een dieet aanprijst, zonder je te verdiepen in de specifieke oorzaken van de obesitas. En overigens: wat is veel? In hun poging het tranendal te kwantificeren, halen Ballieux en Van de Wiel een onderzoek aan waaruit zou blijken dat in Europa “voor maar liefst 73% van de medewerkers” geldt dat zij hun werk gelaten ondergaan: “van mentaal uitchecken tot fenomenen als quiet quitting, waarbij medewerkers op hun werk alleen nog maar het hoogstnoodzakelijke doen.” Zo op het eerste gezicht vind ik dat een onwaarschijnlijk hoog percentage. Het had de auteurs gesierd als ze dit wat kritischer hadden beschouwd: zijn er verschillen tussen landen en bedrijfstakken, hoe heeft dit cijfer zich in de tijd ontwikkeld? Helaas, die duiding ontbreekt.
Zoals gezegd staat het boek bol van de anekdotische illustraties, waargebeurd of ontleend aan Amerikaanse tv-series. Een beetje too much. Wat mij betreft hadden Ballieux en Van de Wiel een flink aantal van hun darlings om zeep mogen helpen, om te beginnen met die uit de titel van het boek: the smell of the place, de metafoor die ze gebruiken voor organisatiecultuur. Iedereen begrijpt wat met organisatiecultuur wordt bedoeld, wat voegt het gebruik van die metafoor dan toe? Omdat een geurtje niet per se iets positiefs hoeft te zijn, noodzaakt het gebruik van deze metafoor de auteurs tot het gebruik van zinnen als “op weg naar de gewenste smell of the place”. Heel erg lelijk!
Een laatste grief: op de kaft van het boek staat naast de titel een X. Je moet even lezen om erachter te komen dat dit niets met Elon Musk of met het voormalige Twitter heeft te maken. “X Marks the Spot”, aldus Ballieux en Van de Wiel – die ook verantwoordelijk zijn voor dit rare hoofdlettergebruik, maar dit terzijde. Met de X illustreren ze het principe van ontwikkelgerichtheid: de ene as van de X staat voor de ontwikkeling van de organisatie, de andere voor de ontwikkeling van het individu. Daar waar beide assen samen komen, bevindt zich de sweet spot, “daar waar je gelijktijdig aan de ontwikkeling van de organisatie en van de medewerker werkt” (pag. 85). Het is de vraag hoe realistisch het is om voor alle medewerkers de sweet spot te vinden – denk even aan de 27% van de Europese medewerkers die wel genieten op hun werk. Los daarvan, de assen van de X komen maar heel even samen, daarna lopen de ontwikkeling van de organisatie en het individu weer uiteen: neem ik de metafoor nu te letterlijk, of is het bij nader inzien gewoon niet zo’n handige metafoor?
Okay, misschien ben ik te streng. Een gezonde organisatiecultuur, wie wil dat nu niet? En aangezien er op dit vlak een wereld te winnen is, is het mooi dat Ballieux en Van de Wiel hieraan willen bijdragen. Wil je er zelf mee aan de slag: het boek bevat genoeg eye-openers, tips & tricks, mits je door de bomen het bos blijft zien.
DNMonline: