DNMonline is een onafhankelijk online platform over leiderschap in het funderend onderwijs. DNMonline verschijnt 8x per jaar met een overzicht van nieuwe content en toegang tot een uitgebreid archief.

Sietske Waslander
Sietske Waslander is hoogleraar sociologie bij TIAS School for Business and Societyvan de Universeit vanTilburg
E-mail: s.waslander@tias.edu
Vierduizend mensen die samen in tien dagen een nieuw ziekenhuis met duizend bedden uit de grond stampen. Het gebeurde zes jaar geleden in Wuhan, China. In diezelfde week in januari werd de kans klein geacht dat het nieuwe virus zich tot in Europa zou verspreiden. Bovendien: wij waren goed voorbereid. Tot zover het naïeve vertrouwen in beheersing: zes weken later zaten de meeste mensen thuis en gingen ook hier de scholen dicht.
De pandemie had wereldwijd grote gevolgen, ook voor het onderwijs. En hoewel het verleidelijk is alle narigheid in de vergetelheid te laten rusten, is het ook zaak lessen te trekken. De omvang van de crisis, de grote gevolgen voor jongeren, en de massieve respons verplichten daartoe. Het zijn dure lessen. Ik beperk me tot drie lessen over de school en één les voor beleid. Aan die lessen zelf is weinig nieuws te ontdekken; welbeschouwd wisten we het al. De dure plicht bestaat eruit ernaar te handelen.
Drie lessen over de school
In het vele onderzoek dat in binnen- en buitenland is gedaan naar gevolgen van de pandemie voor het onderwijs, worden drie lessen steeds herhaald en voortdurend bevestigd.
Les 1. Iedere schooldag telt
Het sluiten van scholen is de belangrijkste oorzaak voor de negatieve impact van de pandemie op leerlingen. Hoe langer leerlingen niet naar school gingen, hoe groter de negatieve gevolgen. Dat blijkt uit verschillen tussen landen, en uit verschillen binnen landen. Dat is het geval voor wat leerlingen leren, en voor hoe ze zich voelen. Alles wat scholen bieden – leren, anderen ontmoeten, in een groep functioneren, deel uitmaken van een gemeenschap, een dagritme – is wezenlijk voor leerlingen. Iedere dag, elke dag opnieuw.
Les 2. Voor sommige leerlingen is de school extra belangrijker
Naar school gaan is belangrijk voor álle kinderen en jongeren. Voor specifieke groepen leerlingen is de school nóg belangrijker dan voor anderen. Namelijk voor jonge kinderen, voor kinderen die in armoede opgroeien en/of leven in andere lastige situaties thuis, en voor kwetsbare kinderen. Onderwijs vervult niet de overspannen verwachtingen van ‘de grote gelijkmaker’. Maar voor kinderen en jongeren die de school het meest nodig hebben om zich te ontwikkelen, is de school wél het meest cruciaal.
Les 3. Live interactie tussen leerlingen en leraren is de kurk waar onderwijs op drijft
Voor leren en welbevinden is directe interactie tussen leerlingen en leraren het allerbelangrijkst. Het liefst in elkaars fysieke nabijheid, op school, maar als het via een scherm moet, dan het liefst live. De pandemie heeft – nog eens – de grote waarde van digitaal onderwijs duidelijk gemaakt. Waar zouden we zijn geweest zonder beeldschermen, internet verbindingen en software? In landen met betere digitale faciliteiten én kennis en ervaring van leraren om er mee te werken, bleven de gevolgen van schoolsluitingen voor leerlingen nog enigszins binnen de perken. Tegelijkertijd heeft het onvrijwillige, wereldwijde experiment met digitaal onderwijs ook de grenzen van technologie zichtbaar gemaakt. De crux van leren zit in live interactie tussen leerlingen en leraren en dat is onvervangbaar.
Deze lessen zijn volstrekt niet verrassend. We weten al lang dat het maatschappelijke belang van scholen en vooral leraren niet te overschatten is. De pandemie heeft iedere twijfel die daarover al zou bestaan nog eens met verve naar het rijk der fabelen verdreven. Het is nu de dure plicht om naar deze lessen, of beter gezegd feiten, te handelen. Wat ons bij de vraag brengt welke les beleidsmakers moeten trekken.
Een hoopvolle les voor onderwijsbeleid
€ 8.500.000.000. Dat astronomische bedrag en het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) vormden de beleidsreactie om de gevolgen van de pandemie op te vangen. Het NPO is onlangs afgerond met een evaluatie die de moeite waard is. Voor mij springt één bevinding eruit; een opmerkelijke constatering die alle aandacht verdient die het krijgen kan.
In de onderwijssociologie geldt sociale erfelijkheid als een wetmatigheid: verschillen in opleiding, inkomen en status werken door van de ene op de andere generatie. Daarom hangen verschillen in leerprestaties van leerlingen hardnekkig samen met het opleidingsniveau van hun ouders. Gemiddelde leerling prestaties van scholen hangen al even hardnekkig samen met het ‘gewicht’ van de school; een indicator die deels gebaseerd is op het opleidingsniveau van ouders.
Bij het uitbreken van de pandemie werden verschillen op basis van sociale achtergrond overal ter wereld groter. Ook in Nederland. Het bevestigt Les 2: leerlingen die de school het meest nodig hebben voor hun ontwikkeling, worden het hardst geraakt als de school sluit. In de meeste landen zijn die verschillen vijf jaar later nog steeds groter dan voor de pandemie. Maar niet in Nederland: hier zijn de verschillen inmiddels weer vergelijkbaar met de situatie van vóór de pandemie. Dat is ronduit opmerkelijk. Het betekent dat onderwijsprofessionals, en leraren in het bijzonder, een prestatie van formaat hebben geleverd.
De evaluatie werpt ook licht op het interpreteren van deze opmerkelijke bevinding. Wat betreft leerling prestaties functioneren scholen met een laag gewicht – en relatief veel leerlingen met hoogopgeleide ouders – weer als voor de pandemie. Maar scholen met een hoog gewicht – en relatief veel leerlingen met laagopgeleide ouders – wisten gedurende de pandemie bétere prestaties van leerlingen te realiseren.
Scholen hebben de NPO middelen vooral ingezet voor – kort gezegd – meer interacties tussen leerlingen en leraren, helemaal in lijn met Les 3. Ze deden dat bijvoorbeeld door meer leraren in te zetten, groepen kleiner te maken, vaker met kleinere groepen en meer 1-op-1 met leerlingen te werken. Scholen met een hoger gewicht kregen in verhouding meer middelen uit het NPO. Waarmee ze nog meer dan andere scholen de interacties tussen leraren en leerlingen konden intensiveren. De hoopvolle les voor onderwijsbeleid is: het heeft gewerkt.
Er blijft volop reden voor ‘aanhoudende zorg’ door de overheid. De dalende trend van taal- en rekenvaardigheid is nog steeds niet gekeerd. En nog steeds hebben leerlingen die de school het hardst nodig hebben, de grootste kans onvoldoende en/of onvoldoende gekwalificeerde leraren te zien.
De dure les van de pandemie is dat het een duidelijke richting wijst voor effectief beleid. Namelijk: lef om gericht te investeren in het intensiveren van interacties tussen leerlingen en leraren en politieke moed om ongelijke gevallen ongelijk te behandelen.
Bronnen:
Reacties worden per mail rechtstreeks aangeboden aan de auteur.
DNMonline: