DNMonline is een onafhankelijk online platform over leiderschap in het funderend onderwijs. DNMonline verschijnt 8x per jaar met een overzicht van nieuwe content en toegang tot een uitgebreid archief.
Mineke van Essen & Sanne Parlevliet (2024)
De puber en de pedagoog
Vernieuwingsonderwijs en adolescentie in Nederland, begin twintigste eeuw.
Amsterdam University Press (AUP)
Dit goed geschreven boek geeft een boeiend beeld van de vernieuwing in het Nederlands voortgezet onderwijs en de invloed van de ‘ontdekking’ van de adolescentie in het begin van de twintigste eeuw. De rode draad is het verhaal van de bijzondere band tussen een pedagoog (Otto Barendsen) en een puber (Jaap Kann). Dit verhaal is ingebed in de discussie over adolescentie en de vertaling daarvan in de vernieuwing van het onderwijs, zoals de oprichting – mede door Jan Ligthart – van het Nederlandsch Lyceum in Den Haag in 1909, het eerste in Nederland. Jaap was leerling van deze school. Rector was Rommert Casimir, die in 1918 de eerste hoogleraar pedagogiek van Nederland zou worden. In dit tijd was adolescentie een internationaal, en ook in Nederland, veelbesproken ‘nieuw’, fascinerend fenomeen. De beginnende puberteitspsychologie inspireerde een vernieuwing van het onderwijs vanuit hooggestemde pedagogische idealen: kindgericht onderwijs, veel buitenschoolse activiteiten, leerlingeninspraak door onder meer een schoolparlement, en kameraadschap tussen leraar en leerling.
De pedagoog Otto Barendsen (1878-1923) is geboren in een eenvoudig Overijssels bakkersgezin en was al in de twintig toen hij na de nodige zelfstudie het diploma onderwijzer haalde. Toen hij in 1908 aan het Groningse doveninstituut H.D. Guyot benoemd werd als onderwijzer, ging hij in zijn vrije tijd aan de Rijksuniversiteit colleges volgen bij de hoogleraar ‘wijsbegeerte met inbegrip van de zielkunde’ (psychologie) Heymans en raakte op de hoogte van de nieuwste psychologische inzichten rond adolescentie en puberteit. Otto is zijn hele loopbaan geïnspireerd door de reformpedagogiek en wil naam maken als schrijvende pedagoog, net als Jan Ligthart en Theo Thijssen. Aan de hand van publicaties over onderwijsvernieuwing en de nieuwe ideeën over pubers geven Van Essen en Parlevliet een mooi overzicht van zijn opvattingen, In 1913 neemt Barendsen ontslag en verhuist met zijn vrouw naar Den Haag, mede om dichter bij de onderwijsvernieuwers te zitten. Kort daarna begon hij als huisleraar van Jaap Kann, wat hij tot 1919 zou blijven. Naast en na zijn werk als huisleraar werd hij redacteur van het tijdschrift van de Montessorivereniging, schreef nog diverse artikelen, en daarnaast twee boeken: ‘Eenvoudige zielkunde ’ en ‘Wereldbeschouwing van het kind’. In 1923 overleed hij aan de gevolgen van de (Spaanse) griep,
Ook de familie van Jaap wordt kort beschreven in dit boek. Jaaps vader, Jacob Kann, was bankier, lid van een rijke joodse bankiersfamilie die al zo’n honderd jaar tot de kleine elite van Haagse bankiers behoorde. Deze Jacob Kann was actief betrokken bij onderwijsvernieuwing in Den Haag. Hij zat in het bestuur van het Nederlandsch lyceum, en was betrokken bij de oprichting van de Haagse Schoolvereeniging (samen met onder andere Jan Ligthart), die zich richtte op leren voor het leven. Geïnspireerd door Dewey was er veel aandacht voor aan leren door doen, zelfwerkzaamheid en handenarbeid. Jacob Kann was daarnaast nauw betrokken bij het internationale zionisme. Hij en zijn broer waren de enige Nederlandse vertegenwoordigers op het eerste zionistencongres, dat in 1897 in Bazel plaatsvond. Ook bezocht hij Palestina. Tekenend, ook in het huidige licht gezien, was zijn waarneming dat zionisten zich hooghartig gedroegen tegenover de plaatselijke bevolking en zich weinig aan hen gelegen lieten liggen. Reden voor hem om kritische kanttekeningen te plaatsen bij het zionistisch ideaal. De moeder van Jaap Kann was geïnteresseerd in kunst: zij nodigde bijvoorbeeld jonge musici uit voor huisconcerten en kocht regelmatig schilderijen, waarbij zij zich liet adviseren door de Haagse kunsthandelaar H.P. Bremmer.
Het activerend onderwijs ,dat Jaap Kann (1901-1944) volgde op de lagere school van de Haagsche Schoolvereniging beviel hem goed. Vervolgens ging hij naar het Nederlandsch lyceum. Tot troost en lering kan strekken dat er ook toen al nogal wat spanning bleek tussen pedagogische idealen en de dagelijkse praktijk. Jaap Kann voelde zich in ieder geval niet erg op zijn plek op het lyceum. Hij vond de leraren ‘snertventen’ en ‘reuzeploerten’ en haalde voortdurend onvoldoendes. Liever dan op school te leren, werkt hij met zijn handen en fantaseert over vliegtuigen bouwen en meevechten in de strijd (Eerste Wereldoorlog). Jaaps ouders besloten een pedagoog in te huren voor de dagelijkse huiswerkbegeleiding: Otto Barendsen. Jaap is dan dertien jaar. De begeleiding bestaat vooral uitvoerige gesprekken met Jaap. In aansluiting bij zijn pedagogische opvattingen neemt Barendsen het perspectief van de puber zo veel mogelijk serieus en probeert er op in te spelen, ook al is dat niet altijd makkelijk. Hij weet Jaap goed te bereiken en er ontstaat een warme vertrouwensrelatie. In de dagboeken die Barendsen over de sessies jarenlang bijhoudt beschrijft hij nauwkeurig hoe hij Jaap aan het werk probeert te krijgen en hem te leren zelf na te denken, maar ook en vooral waarover zij spreken en hoe de jongen zich ontwikkelt. Ook thema’s als de ontwakende belangstelling voor meisjes en masturbatie worden niet geschuwd.
Uiteindelijk haalt Jaap toch geen hbs-diploma, maar volgt zijn technische, praktijkgerichte roeping. Hij volgt in Parijs een ingenieursopleiding en wordt bedrijfsleider van de Electromotorenfabriek Dordt. In 1944 wordt hij vermoord in Auschwitz. Ontroerend is het verhaal hoe Jaap in de trein naar Westerbork zijn naar Barendsen vernoemde zoon Otto helpt ontsnappen. Die dook onder bij de (hertrouwde) weduwe van Otto Barendsen en overleeft de oorlog.
Otto Barendsen was van plan om, mede op basis van zijn aantekeningen, een psychologieboek te schrijven over adolescenten voor docenten in het voortgezet onderwijs. De ervaringen met puber Jaap vormden een rijke bron. Het boek zou worden opgebouwd in de vorm van gesprekken tussen twee vrienden: de ene een veertienjarige jongen ‘met eigenaardige aanleg’, de ander zijn ‘oudere, wijzere vriend’. Van het boek heeft hij door zijn voortijdige dood alleen een opzet kunnen maken.
De door Barendsen zelf geredigeerde aantekeningen vormen de basis voor het boek De puber en de pedagoog. Zijn ervaringen en inzichten komen in deze voorbeeldige historische studie goed tot hun recht. Dat maakt het boek zeer lezenswaard. Niet alleen vanwege de levendige en rijke beschrijving van de leerjaren van Jaap, maar ook om de inzichten in de opkomende adolescentie theorieën, de geschiedenis van vernieuwd voortgezet onderwijs en de loopbaan van een vernieuwingsgezinde onderwijzer begin twintigste eeuw. Met dit boek worden de inzichten en ervaringen van Barendsen, een tegenwoordig wat vergeten pedagoog die in zijn tijd actief aan het onderwijsdebat participeerde op een mooie manier weer toegankelijk gemaakt en in zijn tijd geplaatst.
DNMonline: