Abonneer je nu!

Voor slechts € 3,55 per maand ben je al abonnee!

DNMonline is een onafhankelijk online platform over leiderschap in het funderend onderwijs. DNMonline verschijnt 8x per jaar met een overzicht van nieuwe content en toegang tot een uitgebreid archief.

Bestuur Beleid Beschouwing

LinkedIn

Beschouwing

Marc Vermeulen

Marc Vermeulen is emeritus hoogleraar onderwijssociologie bij TIAS
E-mail: m.vermeulen@tilburguniversity.edu

Kennis als ongemakkelijk bezit

In een ‘ideale’ wereld zou het leven simpel zijn: met meer kennis (en inzicht) in een bepaald verschijnsel wordt het beter hanteerbaar, en kun je als professional adequater handelen. Maar gelukkig is die wereld er niet in het onderwijs: het zou een mechanistisch, voorspelbaar en vooral ook saai leven zijn in de scholen. Volgens filosofe Hannah Ahrendt (1973) maakt de onvoorspelbaarheid van ons bestaan juist het leven aantrekkelijk. Iedere keer moeten we ons verhouden tot de situatie van het nieuwe unieke moment. Het zijn de totalitaire regimes die de onvoorspelbaarheid proberen te reduceren of gelijk te schakelen.

Dit ideaal roept een ongemakkelijke discussie op: is die onvoorspelbaarheid echt zo aantrekkelijk, ook in de jeugdzorg, de geneeskunde of in de kernenergie? En hoe zit het met het onderwijs: zouden we onze kinderen niet liever onderwijzen langs vaste lijnen van bewezen effectieve methoden, met voorspelbare resultaten en voor iedereen gelijke uitkomsten?

Vanuit deze gedachte is regelmatig geprobeerd om bewezen effectieve praktijken verplicht te maken in de onderwijsuitvoering. Recent ook nog in Nederland met een dwingende keuze uit een menukaart van bewezen effectieve leermiddelen.

Een belangrijke impuls voor deze manier van denken ontstond in de VS toen president Bush jr. een grote federale investering in het bestrijden van onderwijsachterstanden beschikbaar stelde onder voorwaarde van het gebruiken van werkpraktijken uit het zogenaamde What Works Clearinghouse. Vanuit de beste bedoelingen was het idee geboren dat kinderen recht hebben op een bewezen effectieve aanpak van onderwijs waarmee onrechtvaardige verschillen in kwaliteit van lessen bestreden konden worden. Interessant genoeg nam een van de grondleggers van die idee, Allan Schoenfeld, er later zelf weer afstand van. Door schade en schande wijs geworden kwam hij tot de conclusie dat die praktijk meer kwaad dan goed doet (2006).

De argumenten van Schoenfeld en mijn eigen latere ervaringen en inzichten komen op het volgende neer:

Ten eerste staat de onderwijspraktijk op gedragswetenschappen. Die kenmerken zich door beperkte verklaarde varianties; we weten veel niet of niet helemaal en zijn daardoor vaak beter in het falsifiëren (wat werkt niet) dan in het verifiëren (zo werkt het wel).

Als gevolg hiervan is er in die wetenschappen flink wat ruimte voor debat en voor normatieve keuzes. Is een constructivistische benadering beter dan een instructivistische? Is concurrentie en competitie beter dan samenwerking en constructie? Is de mens een rationeel handelend wezen die optimalisering van eigen belang als hoogste doel nastreeft? Debatten en keuzes zijn afhankelijk van empirische bevindingen, maar vooral van de duiding vanuit onderliggende mensbeelden, levensbeschouwelijke en politieke voorkeuren.

Te veel voorschrijven of dichttimmeren in de keuze voor methoden heeft het risico in zich van ont-professionalisering van leraren. Volgens een ‘kookboek’ rekenonderwijs geven schakelt het eigen beoordelingsvermogen uit. Nog even los van de vraag hoe deze methoden tot stand komen. Denk aan de recente discussies over de rol van de commerciële uitgevers. Vooral is de kwestie aan de orde of leraren niet zelf in complexe praktijken in de klas tot overwogen keuzes moeten komen. Zelf nadenken, een beroep doen op collega’s, raadplegen van goede bronnen past veel beter dan iets opzoeken in een handboek of door AI laten ontwerpen. Twijfel leidt tot innovatie en collectiviteit in scholen en tot gezagsvol handelen en leiderschap. Methodes aanschaffen tot meer management en een gebrek aan eigenaarschap.

Klassenpraktijk zijn te complex om uit te kunnen gaan van een lineaire implementatie van curricula. Er is sprake van een spanning tussen systeem en situatie waarin de logica van de voorgeschreven handelingspraktijk schuurt met wat deze leerlingen op dit moment het beste helpt. Interpretatieruimte is cruciaal voor goed leraarschap en biedt bovendien veel inzicht in de kern van leren en lesgeven (practrice based evidence).

Het past bij populistische opvattingen om te doen alsof we prima weten hoe we zaken moeten aanpakken en om variatie en complexiteit te ontkennen, of uit te sluiten. Het was niet voor niets dat juist in het vorige kabinet(ten) er nog al simplistische benaderingen van evidence informed werken in onderwijs naar voren kwamen. Wat mij betreft moeten we bij het suggereren van enkelvoudige oplossingen voor onderwijsvraagstukken de alarmbel horen van een mogelijke vorm van populistische misleiding, zoals ik stelde in mijn afscheidscollege in 2025.

De vraag of en hoe welke kennis en inzichten hun weg moeten vinden naar de klaspraktijk staat centraal in een recent advies van de Onderwijsraad en die is terecht terughoudend met omarmen van dwingende bepalingen om evidence informed te werken (2026). Daarbij wijst een onderliggende studie van de NSOB erop dat er sprake is van concept creeping omdat het begrip evidence informed steeds meer verschuift naar evidence based (Honing, et al., 2026).  

Er is natuurlijk helemaal niets mis met een hoge mate van geïnformeerdheid als grondslag voor het handelen in de klas. Dat is in mijn ogen de kern van het werk van volwaardige onderwijsprofessionals: weten wat er wel en niet mogelijk is, dat goed doordenken en aanpassen aan de eigen situatie en daarop je aanpak baseren. Voor een treffende verwoording van dit idee grijp ik graag terug op de Kohnstammlezing van Frits van Oostrom (bedenker van de geschiedeniscanon) in 2007. Hij stelt dat je beter dikke leraren met dunne boeken kunt hebben, dan het omgekeerde. Hij bedoelde daarmee dat leraren beter af zijn met een gedegen vorming en de ruimte om op basis daarvan te handelen, dan met dikke docentenhandleidingen die voorschrijven hoe er les gegeven moet worden. Geen speld tussen te krijgen wat mij betreft.

 

Referenties

  • Arendt, H. (1973). The origins of totalitarianism (New ed.). Harcourt Brace Jovanovich.
  • Schoenfeld, A. H. (2006). What doesn’t work: the challenge and failure of the what works clearinghouse to conduct meaningful reviews of studies of mathematics curricula. Educational Researcher, 35(2), 13–21.
  • Onderwijsraad (2026). Leren van onderzoek. Onderwijsraad.  (https://www.onderwijsraad.nl/documenten/2026/03/19/leren-van-onderzoek)
  • Honingh, M., Toonen, T.,  Samwel, J., Chin-A-Fat, N., Hendrikx, W., Den Uijl., H.  (2026). Studie: weten van wetenschap. NSOB. (https://www.onderwijsraad.nl/documenten/2026/03/19/studie-weten-van-wetenschap)
  • Van Oostrom, F. (2007). Een zaak van alleman : Over de canon, schoolboeken, docenten en algemene ontwikkeling. Amsterdam University Press.

Reageren?

Reacties worden per mail rechtstreeks aangeboden aan de auteur. 

Lees ook...

Verder lezen?

Voor slechts € 3,55 per maand ( € 42,50 incl. 9% btw per jaar)  heeft u al een abonnement

DNMonline:

  • informeert over leiderschap in/en onderwijs en meer
  • is onafhankelijk, kritisch, beschouwend, wetenschappelijk en beschrijft boeken,
  • richt zich op (school)leiders, directies, besturen en toezichthouders in onderwijs
  • werkt met professionals die door hun werkervaring goed ingevoerd in alle aspecten van het onderwijs