Abonneer je nu!

Voor slechts € 3,55 per maand ben je al abonnee!

DNMonline is een onafhankelijk online platform over leiderschap in het funderend onderwijs. DNMonline verschijnt 8x per jaar met een overzicht van nieuwe content en toegang tot een uitgebreid archief.

Rutger van de Sande en Anje Ros

Rutger van de Sande is lector Learning design aan Fontys Hogeschool en leading lector Fontys kenniscentra YES (Youth Education for Society) en LLO (Leven Lang Ontwikkelen)
E-mail: rutger.vandesande@fontys.nl

Anje Ros is lector Goed leraarschap, goed leiderschap bij Fontys Hogeschool
E-mail: a.ros@fontys.nl

Publiek-private samenwerking: hoe kan deze motor voor onderwijsinnovaties verduurzaamd worden?

In het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs is veel belangstelling voor publiek-private samenwerking (PPS) als motor voor onderwijsinnovatie. Deze vorm van samenwerking is niet altijd succesvol. Uit onderzoek blijkt dat als de subsidie stopt, vaak ook de samenwerking ophoudt. Daarom is er veel aandacht voor verduurzaming van deze samenwerkingsverbanden. Verduurzaming wordt soms versimpeld tot het (integraal) voortzetten van een samenwerkingsverband na afloop van de subsidietermijn.

Daarmee wordt verduurzaming gereduceerd tot het consolideren van een organisatorische vorm, inclusief de ingerichte governance en de inzet van mensen. Maar vaak geldt juist voor andere aspecten dat ze waard zijn om in stand te houden, bijvoorbeeld de onderliggende impact, de werkwijzen en netwerken. Daarmee worden dan andere eisen gesteld aan de wijze waarop de verduurzamingsopdracht wordt benaderd.

In dit artikel betogen we dat verduurzaming van publiek-private samenwerking niet gelijkgesteld moet worden aan organisatorisch voortbestaan. Op basis van literatuur en flankerend onderzoek hebben we een gedifferentieerd kader ontwikkeld dat richting geeft aan realistische en strategische keuzes rond verduurzaming.

Verduurzaming: meer dan organisatorisch voortbestaan
Het ecosysteem dat rond een PPS is ingericht, is niet noodzakelijk de beste structuur om (bepaalde) PPS-functies te laten voortbestaan. Zo’n versimpelde opvatting van verduurzaming miskent bovendien dat duurzaamheid in complexe netwerken en innovatieprocessen veelvormig en dynamisch is. Publiek-private samenwerkingsverbanden hebben een dynamisch karakter, met veranderende partners, doelen en activiteiten. Bovendien opereren ze in een omgeving die sterk onderhevig is aan politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen. In het flankerend onderzoek (zie kader) hebben we om deze redenen een genuanceerder kader voor verduurzaming ontwikkeld. Dat werken we hieronder uit; het kader leidt ook tot een aantal aanbevelingen aan beleidsmakers over verduurzaming van deze samenwerkingsvormen.

Samenwerkingsverband Kennispact MBO en Mbo Innovatie- en ExpertiseCentra

In Brabant werken Brabant de ROCs Curio, Summa College, Yonder, Koning Willem I College, De Leijgreaaf en Yuverta samen met regionale partners in samenwerkingsverband Kennispact MBO. In deze samenwerking richten ze lerende innovatie- en ontwikkelcommunities in rond maatschappelijke transities.

Kennispact heeft als doel om duurzame vernieuwing van onderwijs en arbeidsmarkt en een gezamenlijke LLO-aanpak (‘leven lang ontwikkelen’) tot stand te brengen. Een belangrijk instrument zijn de RIF-projecten via Kennispact zijn geïnitieerd. Ze worden ingericht als ‘Mbo Innovatie- en ExpertiseCentra’ (MIECs) en richten zich op maatschappelijke ontwikkelingen. Concreet gaat het om de volgende MIECs: ‘Zorgtechnologie’ (rond uitdagingen die (aankomende) zorgprofessionals te wachten staan in het snel veranderend zorglandschap), ‘Beet!’ (rond verduurzaming van het voedselsysteem) en ‘DATA & AI’ (over het (veilig) gebruik van data en AI).

Een door NRO (inmiddels NKO; Nationaal Kennisinstituut Onderwijs) gefinancierd flankerend onderzoeksproject naar deze MIECs moet inzichten verzamelen in hoe deze samenwerkingsarrangementen, voorbij de looptijd van de RIF-projecten, duurzaam kunnen worden ingebed. 

Goede voorbeelden van PPS zijn projecten die worden uitgevoerd binnen de RIF-regeling. RIF (Regionaal Investeringsfonds mbo) is een subsidie-instrument van het ministerie van OCW waarmee mbo-instellingen en regionale partners samen kunnen investeren in verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

Ook in de RIF-regeling wordt al gelaagd gekeken naar verduurzaming. In plaats van uitsluitend het behoud van structuren, vraagt de regeling om aandacht voor drie vormen van verduurzaming:

  • Verankering in het onderwijs; projectresultaten worden ingebed in reguliere onderwijsprogramma’s, werkwijzen en de professionalisering van docenten (RIF-1).
  • Blijvende betrokkenheid van het werkveld; bedrijven en maatschappelijke organisaties participeren ook na afloop van het project actief in het onderwijs en in kennisdeling (RIF-2).
  • Continuering van de samenwerking zelf; het bestendigen van de netwerken en governance-structuren die onderwijs en werkveld verbinden (RIF-3).

(De codes (RIF-1, enz.) verwijzen naar de perspectieven op verduurzaming in tabel 1).

Om een meer gedifferentieerd beeld te krijgen van verduurzaming van PPS’en baseren we ons op enkele internationale studies. De meest invloedrijke onderzoeken naar dit onderwerp hebben betrekking op verduurzaming van initiatieven in de context van de gezondheidszorg. Zo stellen Shediac-Rizakallah en Bone (1998) dat verduurzaming van dit soort projecten betrekking kan hebben op (en dus gemeten zou kunnen worden via):

  • het voortbestaan van mogelijkheden van projectdeelnemers om bij te blijven dragen aan projectdoelen (She-1);
  • de feitelijke voorzetting van projectactiviteiten (She-2) en/of
  • de voortdurende beschikbaarheid van projectopbrengsten (She-3).


Weiss et al. (2002) wijzen in een ander onderzoek op het behoud van funderende waarden en opvattingen die ontwikkeld zijn binnen een project als een vorm van verduurzaming (Wei-1). Deze vorm wordt door andere onderzoekers achterwege gelaten omdat het lastig zou zijn om deze in beeld te brengen. Dat geldt ook voor de uitgebreide literatuurstudie van Moore et al. (2017) . Zij komen tot ‘nieuwe perspectieven op verduurzaming’ (p. 4), waarvan er over drie consensus is onder de onderzoekers. Het gaat om perspectieven op verduurzaming als

  • het verankeren van nieuwe werkwijzen in het handelen van individuele medewerkers (i.e. `routinization’; Moo-1);
  • het zodanig verankeren van nieuwe praktijken in de deelnemende organisaties dat ze de norm worden voor deze organisaties (`insitutionalization’; Moo-2);
  • het (blijven) aanpassen aan en doorontwikkelen van praktijken en werkwijzen in een veranderende bredere context (`adaptation and evolution’; Moo-3).


Daarnaast constateren Moore c.s. dat in projecten ook andere perspectieven aan de orde kunnen zijn. Voor een PPS-constructie – waarin samenwerking een belangrijk aandachtspunt is – zijn vooral de perspectieven op verduurzaming relevant, als:

  • voortzetting van het partnerschap van belanghebbenden (Moo-4) en
  • voortzetting van interacties van projectbetrokkenen met de omgeving (Moo-5).


Voor de overzichtelijkheid zijn deze perspectieven in tabelvorm weergegeven. Tabel 1 laat zien hoe de verschillende theoretische benaderingen van verduurzaming zich verhouden tot de formele verduurzamingsopdrachten vanuit de RIF-regeling, maar maakt bovenal inzichtelijk dat verduurzaming meerdere invalshoeken kent, afhankelijk van wat wordt nagestreefd.

‘PPs’en waarvan het eigenaarschap wordt gedeeld tussen onderwijsinstellingen en bedrijven zijn veerkrachtiger en adaptiever’

Tabel 1. Perspectieven op verduurzaming in PPS

 

Integratie van perspectieven op verduurzaming: verduurzaming als…

Perspectieven op verduurzaming zoals beschreven in eerdere studies: verduurzaming als…

In de tekst aangeduid als…

1.

Voortbestaan van mogelijkheden om bij te dragen aan projectdoelen

Voortbestaan van mogelijkheden om bij te dragen aan projectdoelen

She-1

2.

Voortzetting van projectactiviteiten het onderwijs

Verankering in het onderwijs

Voortzetting van projectactiviteiten

Verankering van nieuwe werkwijzen in het handelen van medewerkers

Verankeren van nieuwe praktijken in organisaties

RIF-1

She-2

Moo-1

 

3.

Verankeren van nieuwe praktijken in deelnemende onderwijsorganisaties

Moo-2

4.

Voortzetten van projectactiviteiten door werkveldpartners

Blijvende betrokkenheid van het werkveld

Voortzetting van projectactiviteiten

Verankering van nieuwe werkwijzen in het handelen van medewerkers

Verankeren van nieuwe praktijken in organisaties

RIF-2

She-2

Moo-1

 

5.

Verankeren van nieuwe praktijken in deelnemende werkveldorganisaties

Moo-2

6.

Continuering van de PPS als netwerk

Continuering van het netwerk zelf

Voortzetting van partnerschappen van belanghebbenden

RIF-3

Moo-4

7.

Voortdurende beschikbaarheid van projectopbrengsten

Voortdurende beschikbaarheid van projectopbrengsten

She-3

8.

Behoud van funderende waarden en opvattingen onder de PPS

Behoud van funderende waarden en opvattingen

Wei-1

9.

Voortdurend aanpassingsvermogen aan ontwikkelingen in bredere context

Aanpassingsvermogen van praktijken in/aan een bredere context

Moo-3

Voortzetting van interacties van projectbetrokkenen met de omgeving

Moo-5

 

Zoals in tabel 1 is weergegeven, levert de analyse negen perspectieven op verduurzaming op. Daarbij merken we het volgende op: RIF differentieert de verduurzamingsopdrachten naar de partners: onderwijs (RIF-1) en werkveld (RIF-2). De internationale studies doen dat niet. Moore et al. (2017) maakt wel een onderscheid tussen het verankeren van nieuwe werkwijzen in het handelen van (individuele) medewerkers (Moo-1) en het verankeren van nieuwe (collectieve) praktijken in partnerorganisaties (Moo-2). Het toepassen van beide differentiaties leidt tot de perspectieven 2 tot en met 5.

Aanvullend op onze analyse wijzen recente rapporten van Katapult op het belang van regionaal maatwerk, gedeeld eigenaarschap en het integreren van Leven Lang Ontwikkelen (LLO) als aanknopingspunten voor verduurzaming. PPS’en die aansluiten bij regionale arbeidsmarktvraagstukken (ICT, techniek, zorg), hebben volgens Katapult meer kans op duurzame impact. Bovendien blijkt dat PPS’en waarvan het eigenaarschap wordt gedeeld tussen onderwijsinstellingen en bedrijven veerkrachtiger en adaptiever zijn. Tot slot vergroot het integreren van LLO – bijvoorbeeld in de vorm van een aanbod van modulair onderwijs en omscholingstrajecten – de maatschappelijke relevantie en structurele financierbaarheid van een PPS (Katapult, 2023).

Van perspectieven op verduurzaming naar monitoring
Het in tabel 1 geschetste kader biedt een analytisch perspectief op vormen van verduurzaming, maar is minder geschikt om systematisch te volgen hoe PPS’en zich in de tijd ontwikkelen. In het flankerend onderzoek hanteren we daarom ook een set met meer concrete criteria om de kansen op verduurzaming gedurende de looptijd van een RIF in beeld te brengen. Aan de hand van deze criteria zijn de sleutelfiguren in de MIECs (zie kader) periodiek bevraagd. Op basis van het kader onderscheiden we drie vormen:

A. Verduurzaming van projectactiviteiten
1. Projectactiviteiten worden op dezelfde voet voortgezet na de projectperiode

B. Verduurzaming van opbrengsten
2. Opbrengsten worden blijvend gebruikt door betrokken opleidingen.
3. Opbrengsten worden gebruikt door een bredere groep gebruikers (bijvoorbeeld docenten en studenten), ook buiten de projectpartners.
4. Opbrengsten worden doorontwikkeld en verder verbeterd.
5. Opbrengsten van worden doorontwikkeld naar andere sectoren.

C.Verduurzaming van het leer- en ontwikkelvermogen
6. Het netwerk dat is opgebouwd blijft informeel bestaan, partners zoeken elkaar op om kennis en ervaringen te delen.
7. Er worden na afloop van het project door de betrokkenen samen nieuwe doelen gesteld, projectactiviteiten geïnitieerd en nieuwe producten ontwikkeld.
8. Deelnemende organisatie nemen leeropbrengsten uit het project mee naar nieuwe projecten met andere stakeholders.

Het blijkt dat sleutelfiguren in de MIECs bijna al deze vormen van verduurzaming nastreven. Enerzijds laat dit het hoge ambitieniveau in de MIECs zien, maar anderzijds houdt dit ook een risico in: door niet te kiezen op welke elementen je wilt verduurzamen, kan het gebeuren dat geen van de elementen prioriteit krijgt in het verduurzamingsproces.

Drie RIF-projecten lopen rond de zomer van 2026 af, dus wat betreft verduurzaming breekt een spannende tijd aan. Nu al blijkt dat ook voor zeer succesvolle RIF-projecten, dus projecten die naar thema het tij mee hebben (zoals MIEC Data & AI) het realiseren van verduurzaming complex is.

Binnen elk van de betrokken ROC’s spelen strategische afwegingen die direct raken aan het leer- en ontwikkelvermogen van de PPS en het voortbestaan van het netwerk na afloop van de subsidie. Zo is het niet vanzelfsprekend welke onderdelen door afzonderlijke ROC’s kunnen worden voortgezet en waar samenwerking noodzakelijk blijft om gezamenlijke leerprocessen en kennisontwikkeling te borgen. De organisatie van ROC-brede thema’s zoals AI laat bovendien zien dat bestaande governance-structuren onder druk komen te staan, doordat inhoudelijke expertise en formeel mandaat niet altijd samenvallen. Het verkrijgen van overzicht over lopende initiatieven en opleidingsbehoeften binnen de eigen organisatie blijkt daarbij een voorwaarde om opbrengsten gericht te kunnen doorontwikkelen en te delen binnen het netwerk. Duidelijk is dus dat verduurzaming minder draait om het voortzetten van specifieke projectactiviteiten, en meer om het vermogen van betrokken organisaties om hun samenwerking adaptief te herijken, nieuwe partners te betrekken en gezamenlijk richting te blijven geven aan innovatie in een veranderende context.

‘Bovendien roepen de vele vormen van verduurzaming de vraag op of integrale verduurzaming wel realistisch is’

Conclusie en handelingsperspectieven
Dit artikel laat zien dat verduurzaming van PPS in het mbo meer vraagt dan alleen het bestendigen van projectstructuren. De hierboven gegeven indeling, gebaseerd op theoretische en beleidsmatige inzichten, biedt hiervoor een vruchtbaar aanknopingspunt. Het schept ruimte voor een strategische en situationele invulling van duurzaamheid. Het realiseren van verduurzaming is complex; gerichte keuzes zijn nodig en tijdige acties gedurende periode waarin een PPS RIF-financiering ontvangt, blijken noodzakelijk, maar bieden geen garantie dat initiatieven werkelijk toekomstbestendig worden. Veel hangt af van contextuele factoren en de ambities en het lef van de CvBs van de betrokken ROCs.

Bovendien roepen de vele vormen van verduurzaming de vraag op of integrale verduurzaming – dat wil zeggen verduurzaming op alle elementen – wel realistisch is. In veel gevallen blijkt het streven naar continuering van alle activiteiten, impact, samenwerking en organisatievormen – kortom, integrale duurzaamheid – moeilijk houdbaar als RIF-middelen wegvallen. Zoals hierboven aangegeven kan het onkritisch vasthouden aan zulke ambities zelfs contraproductief zijn, wanneer het leidt tot teleurstelling, overbelasting of ongefundeerde verwachtingen bij partners. In dat licht is het verstandig om duurzaamheid niet te zoeken in volledige bestendiging, maar in strategisch gekozen elementen: welke onderdelen zijn cruciaal om te behouden, welke kunnen transformeren, en welke mogen verdwijnen? De RIF-regeling biedt ruimte voor zo’n gerichte invulling.

Voor beleidsmakers die zich committeren aan een PPS betekent dit:

  • Formuleer verduurzamingsdoelen niet te generiek, laat de samenwerkingspartners gedifferentieerde verduurzamingsdoelen opstellen en regelmatig monitoren, aansluitend bij de driedeling (projectactiviteiten, opbrengsten en leer- en ontwikkelvermogen);
  • Stimuleer vormen van gedeeld eigenaarschap die aansluiten bij regionale arbeidsmarktbehoeften;
  • Bied de mogelijkheid in de projectformats om ruimte te maken voor adaptiviteit en variatie in hoe verduurzaming eruit ziet, afhankelijk van context en fase.


Voor professionals die leidinggeven binnen een PPS-constructie:

  • Breng in kaart welke elementen van de samenwerking essentieel zijn om voort te zetten, en welke kunnen veranderen of afronden, door met partners tijdens de uitvoering van het samenwerkingsproject regelmatig de ambities voor na de projectperiode te bespreken;
  • Werk al tijdens de projectperiode actief aan de verduurzaming door behoeftes en belangen van partners te bespreken en te werken aan condities voor de verankering en doorontwikkeling van waardevolle producenten (zoals modules en trainingen) en werkwijzen in het reguliere onderwijsproces en voor nieuwe samenwerkingsactiviteiten;
  • Zoek partners op die bereid zijn mede-eigenaar te worden van de verduurzaming en maak hen medeverantwoordelijk voor activiteiten na afloop van het project.
  • Probeer niet te krampachtig alle partners bijeen te houden; mogelijk vallen partners af en sluiten anderen aan, met nieuwe inzichten en ambities.

Referenties

  • Katapult (2023). Regioanalyse Zuid-Holland – PPS en de aansluiting op de regionale arbeidsmarkt.
  • Moore, J. E., Mascarenhas, A., Bain, J., & Straus, S. E. (2017). Developing a comprehensive definition of sustainability. Implementation Science, 12(1), 1–8.
  • Scheirer, M. A. (2005). Is sustainability possible? A review and commentary on empirical studies of program sustainability. American Journal of Evaluation, 26(3), 320–347.
  • Staatscourant. (2022). Subsidieregeling Regionaal Investeringsfonds mbo 2022. Staatscourant 2022, nr. 15086. Geraadpleegd op 9 januari 2026. via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-15086.html
  • Weiss, H. B., & Bohan-Baker, M. (2002). Evaluation’s role in supporting initiative sustainability. Harvard Family Research Project.

Reageren?

Reacties worden per mail rechtstreeks aangeboden aan de auteur. 

Verder lezen?

Voor slechts € 3,55 per maand ( € 42,50 incl. 9% btw per jaar)  heeft u al een abonnement

DNMonline:

  • informeert over leiderschap in/en onderwijs en meer
  • is onafhankelijk, kritisch, beschouwend, wetenschappelijk en beschrijft boeken,
  • richt zich op (school)leiders, directies, besturen en toezichthouders in onderwijs
  • werkt met professionals die door hun werkervaring goed ingevoerd in alle aspecten van het onderwijs